Het begint heel realistisch. Petrus en enkele andere apostelen zijn teruggekeerd naar Galilea, en ze willen hun oude werkzaamheden terug opnemen. Vissen dus, in het meer van Tiberias, wat ze altijd al gedaan hebben. Misschien waren ze in Kafanaüm waar Jezus had gewoond, misschien verbleven ze zelfs in zijn huis, wie weet. Ze trekken dus het meer op, niet overdag, maar 's nachts, want overdag ligt de vis toch maar op de bodem van het meer te gapen van de warmte. Maar ze vangen niets, en moedeloos varen ze 's morgens terug naar de oever. En daar wacht Jezus hen op. Het is nog schemerig, dus herkennen ze Hem niet. Op zijn aanraden werpen ze de net toch nog maar eens uit, rechts van de boot, en ziet, ze krijgen het niet meer opgehaald, zo vol zit het. Hoe kan dat nu? Is hier een wonder gebeurd, of heeft Jezus van op het strand een school vissen gezien die zij van in de boot niet konden zien?
Waarschijnlijk geen van beide, want de symboliek lijkt het hier te halen van de realiteit. De leerling die Jezus liefhad, herkent Hem ineens, en de altijd impulsieve Petrus springt meteen te water, zijn Heer tegemoet. En wat blijkt? Op het strand brandt een houtskoolvuur, er is brood en er is vis. Nochtans had Jezus voordien gevraagd of ze niet wat vis hadden - of Hij dus niet wat vis kon kopen. En in hun net blijken 153 grote vissen te zitten. Zo maar een toevallig getal? Zeer zeker niet; 153 is namelijk het aantal vissoorten dat in de Grieks-antieke wereld bekend was. Met andere woorden, de apostelen hebben van elke bestaande soort één vis gevangen.
Ik zei het al,mijn goede vrienden, vanaf dit moment in het verhaal wint de symboliek het van de realiteit. Ik denk dat we dit verhaal moeten verbinden met de belofte van Jezus toen Hij zijn apostelen riep. Hij zei: "Ik zal vissers van mensen van u maken." En dat zijn ze geworden, vissers van mensen. Dit prachtige verrijzenisverhaal, met het bijna idyllische kampvuur op het strand - vandaag zouden we van een barbecue spreken - maakt duidelijk dat ze niet in eigen naam mensen kunnen vissen, maar alleen in Jezus' naam. Zolang ze zonder Hem vissen, vangen ze niets. Eens ze in zijn naam vissen, vangen ze meteen een net vol.
En dit verrijzenisverhaal is meteen ook een zendingsverhaal. Dat kunnen we afleiden uit het aantal vissen dat ze gevangen hebben: 153 - of alle vissoorten. Ze worden dus naar alle volkeren gezonden, waar ook ter wereld. Zo lang ze dat doen in Jezus' naam, zal hun net daarbij niet scheuren, zal, met andere woorden, de eenheid niet verbroken worden. En hoe die zending moet verlopen: ook dat lezen we in het verhaal. Driemaal vraagt Jezus aan Petrus: "Hebt ge Mij lief?"
Liefde is het enige fundament, is de enige drijfveer van de zending. Alleen wie liefde leeft, kan Jezus onder de mensen brengen.
Mijn goede vrienden, waar staan wij in dit verhaal?
Zijn wij gewoon een van de 153 vissen die te vangen zijn, of worden ook wij gezonden om Jezus te verkondigen, om Jezus te leven, om liefde te zijn? Vanuit deze evangelietekst kies ik resoluut voor het laatste; ook wij zijn dus gezonden. Op het einde zegt Jezus namelijk dat Petrus zich moet omgorden, en dat is in de bijbel een omschrijving van 'ga op weg'. Ook wij zijn geroepen om op weg te gaan, in beweging te komen, naar anderen toe te gaan. Ook wij moeten op stap gaan en ons laten brengen waar de Heer ons wil. Ook aan ons vraagt Jezus: "Hebt gij Mij lief? Ja? Welnu, hoed dan mijn lammeren en mijn schapen. Draag, met andere woorden, zorg voor elkaar. Wacht niet tot anderen dat doen, maar sta zelf gereed, wees altijd omgord - dus klaar - om ten dienste te staan: in uw gezin, op het werk, in de parochie, in uw leefgemeenschap. En Ik beloof u: Zo lang ge dat doet in mijn naam, zal de vangst overweldigend zijn, en zal het net toch niet scheuren."
Mijn goede vrienden, ik wens u en mezelf toe dat we dit verrijzenis- en dit zendingsverhaal tot het onze zouden maken, en dat we dat met dezelfde kalme vastberadenheid zouden doen als die van de apostelen in de eerste lezing. De heren van de Hoge Raad mogen zeggen wat ze willen, de apostelen antwoorden dat ze God meer moeten gehoorzamen dan mensen. Laten ook wij dat doen. Niet door grote daden en nog grotere woorden, maar door liefde te doen en te zijn, in Jezus' naam, waar we ook gaan of staan. Amen.